De Godspraak over Damascus

clock-icon-clipart-1-jpg  leestijd: 15 minuten

Ze was 18 toen de hellepoorten openzwaaiden, de duivel haar wangen likte met vlammende tong en haar verstrengelend omhelsde. Ze spartelde tevergeefs. Hij had een ijzeren greep. De dood was onomkeerbaar.

 D 
amascus lag haar nauw aan het hart, een kluwen van stegen en straten. De stad was van alle markten thuis, leek wel een schap vol souvenirs van een wereldreis. Sovjetwoningen stonden fier naast Europees aandoende gebouwen, verdraagzaam tegen elkaar aan leunend. Rust kon je er niet vinden, het was een bruisende heksenketel wiens buitenkant permanent vervelde en weer aangroeide. Binnenin de kronkelende darmen voelde je de warmte van het leven, hoorde je het weerklinken van echoënd gelach en kwetterende opgewektheid. Iedereen had een plaatsje in de metropool, de ene sliep in zijn paleis, de ander op een geïmproviseerd bed, maar allen noemden het hier hun thuis. De inwoners waren bruistabletten, Damascus hun oploswater.

Medina woonde aan de buitenrand van de stad, naast een uitgestrekt park. De vrouwen stonden elke middag aan de fontein, het wasgoed als excuus om bij te kunnen praten met vriendinnen, klagend over hun lakse man, hoe ze zich voor hem uitsloofden. Hun kinderen kwamen op de schommel spelen en ravotten, tot de duisternis hen te slapen legde. Het park was het kloppende hart van de wijk, waar iedereen samenkwam en verhalen uitwisselde.

Medina had nog een kleinere zus, Akilah. Ze was snel van geest en holde Medina voortdurend achterna, in de hoop haar evenbeeld ooit in de spiegel te zien. Akilah had kastanjebruin, kort haar dat voortdurend ongekamd en zanderig was van het spelen in het park, tot grote bekommernis van haar moeder. Ze gingen graag met de jongens om. Die zeiden altijd waar het op stond, zonder een blad voor de mond te nemen. De meisjes waren gereserveerd, gehecht aan hun moeder.

Het leven was een gezapige rivier voor hun gezinnetje. Vader kwam altijd op hetzelfde moment thuis, net het begin van de maaltijd missend. Wanneer ze de voordeur hoorden kraken, sprongen Medina en Akilah recht en snelden hun vader tegemoet. Ze omhelsden hem en klauterden op z’n rug en in z’n nek.  Vader en moeder zagen elkaar graag. Ze toonden het niet in bijzijn van de kinderen, maar je kon in moeders ogen het twinkelende verlangen zien. Dat hielden ze voor de slaapkamer, had Medina gehoord van Ali. Die had de grootste mond en vertelde altijd de meest sappige, dramatische en vuile verhalen. Een keer had hij verteld dat een geest het park teisterde. Hij vertelde het toen ze in een kring zaten bij duisternis. Toen het verhaal afgelopen was, haalde iedereen zijn beste excuus boven om zo snel mogelijk naar huis te kunnen, de staart tussen de benen, bibberend van angst. Ze had Ali, de bonkige leider van hun clubje, nooit graag gehad. Hij was hooghartig en ijdel. De andere meisjes keken vanop een afstand, giechelend, brandend van vals verlangen. Medina wist wel beter.

Vorige maand was er in de straat een nieuw gezin komen wonen. Ze hadden een bleke huid, staken af tegen de andere bewoners, maar ook tegen hun cultuur. Medina was razend nieuwsgierig, magnetisch aangetrokken tot verandering.  Josh kwam uit Amerika. Ze waren expats. Ze wist niet wat het woord betekende, maar het klonk vies. Hij leek het uit te spuwen. Josh kende de taal verbazend goed. Ze praatten dagelijks, kleedden hun zielen uit voor elkaar. Ze voelde al snel dat hij een lege kist met dubbel slot was, een kluis voor haar bodemloze geheimen.

Op een dag nam Josh haar mee op een wandeling. Hij had een boekje bij zich, duidelijk zijn kostbaarste bezit. Er stond “Bible” op in vergulde letters, permanent geprent in de rode kaft. Het was een sierlijk boek, het had de gratie van natuurlijke superioriteit. Hij zette zich naast haar op een muurtje, op een zeldzaam plekje van verademing in de bruisende stad. Hij sloeg zijn boek open met een sierlijke zwaai. Het verhaal ging over een groep vrienden, een man met sandalen en allerlei moeilijke woorden.

“Hou je van de stad?”, had ze gevraagd. Hij dacht even na en begon dan vastberaden door de pagina’s te zweven tot hij zijn prooi buit had gemaakt.

Jesaja 17:1     De Godsspraak over Damascus. Zie, Damascus wordt weggenomen, zodat het geen stad meer is: het wordt een puinhoop, een bouwval.

Medina begreep het niet, voelde woede opborrelen. Wie schrijft nu zoiets?! Wie had het recht? Ongeloof zette haar in beweging, weg van het muurtje, weg van hem, weg van dat rode, vergulde boek.

 D 
amascus kreeg koorts. Het gebruikelijke gekwetter maakte plaats voor schrille kreten en gedempt gefluister. De stad begon te sidderen, te beven. Het vuur werd heet, het water kookte over. Waar voorheen een rustige opgewektheid heerste, walste woede nu door de straten. De harten van het volk schreeuwden hun frustratie uit. Ze voelden zich opgesloten, bevangen. Het enige wat een volk wil, is vrij zijn, een overstijgende waarde die zich niet beperkt tot een mensenleven, opoffering meer dan een heldendaad. Mannen kwamen op straat, gooiden stenen en frustratie in het rond. Vrouwen zochten hun toevlucht in huiselijke taken, stilzwijgend. Kinderen amputeerden hun speelsheid.
Het park was uitgestorven.

Het volk verstrengelde zich tot een onbreekbare ketting, althans voor even. Des te steviger de ketting van verbond, des te scherper de verwoestende schaar. Oorlog brak uit in Damascus en de rest van het land. Het werd een tijd van overleven in stilte voor het gezin. Ze liepen op hun tippen van angst. Akilah kroop ’s avonds vaak in bed bij haar grote zus, toevlucht zoekend in de warmte van haar dekens. Ze praatten dan over wat ze die dag allemaal hadden gezien op weg naar school. Tanks, jeeps, mannen met geweren, die deden alsof het één grote grap was, een spel. Sporadisch hoorde je de nagalm van geweerschoten. Er heerste een soort artificiële rust. De kolen van het vuur smeulden, wachtend op dat druppeltje olie. Die wrange onzekerheid kerfde zich in het verlangen naar de tijden van weleer.

Sinds de intrede van soldaten in het straatbeeld liep Medina met Akilah naar school en terug. Ze namen niet de kortste weg, maar wandelden langs verlaten steegjes terug naar huis om alle confrontaties te vermijden. Medina zag moeder al van ver in het portiek staan. Dat deed ze anders nooit. Ze kreeg een onbehaaglijk gevoel. Ze drukte Akilah nog wat dichter tegen zich aan en versnelde haar pas. Ze zag moeder nu hevig zwaaiend met haar armen. Ze leek wel te willen duidelijk maken dat ze zich moesten haasten.

Medina zag een lichtflits aan de hemel, hoorde een gierend geraas op haar afkomen. De aarde beefde. Ze wierp zich instinctief op haar kleine zusje om haar te beschermen. Het geluid welde aan tot een oorverdovende donderslag. Ze voelde een immense kracht haar lichaam verscheuren, voelde steengruis haar huid striemen. Ze werd van de grond getild, in een sluier van hitte. Met een smak kwam ze terug neer. Ze keek op, maar was verblind door een stofwolk die haar ogen verzandde. Akilah lag naast haar, bevend van angst, wist niet wat er gebeurde. Medina voelde Akilahs doodsangst overvloeien in haar eigen lichaam. Ze bleven daar roerloos liggen, de wereld een waas van nachtmerrie en realiteit. Het stof legde zich terug neer.

Medina zag toen voor het eerst Shaytan, de duivel. Hij zag er niet uit zoals ze zich hem had voorgesteld. Het was zelfs geen ‘hij’. Shaytan was de lucht die ze inademde en die haar longen zwart blakerde, het steengruis dat het puin tartte, haar huis, dat nu geen huis meer was, haar moeder…

Ze gierde van woede, schreeuwde hulpeloos om hulp, jammerde ontroostbaar. Ze schermde Akilah’s ogen af, wist dat ze bij het zien ten onder zou gaan. Het onrecht was ondraaglijk. Medina zocht naar scherven, naar een scherp iets. Ze wou er een einde aan maken, maar vond niets. Er verschenen mannen in de uithoeken van haar vertroebelde blikveld. Ze zag hun ogen, hoe ze elk moment konden bezwijken van ellende, hoe het besef tot hen doordrong dat elke actie een reactie behoefde, hoe zij hier medeplichtig aan waren. Medina voelde dat ze werd opgetild. Ze graaide nog naar Akilah’s hand, maar vond die niet.

Ze werd wakker door een gonzend gezoem dat haar in een soort van trance bracht. Haar zicht was troebel, als een olieverfschilderij waar water op was gemorst. Ze voelde zich loskomen van haar lichaam, dat daar levenloos op het bed lag. Ze zag zichzelf van bovenaf, een meelijwekkende hoop vlees, doorboord met naalden, gewikkeld in allerlei doeken en geïmproviseerde gips. Ze zweefde tussen bewustzijn en illusie, tussen waan en realiteit, alsof een klein kind met de lichtschakelaar speelde. Zo ging het dagen aan een stuk. Ze zag Akilah naast haar liggen in de kamer, maar kon haar mond niet bewegen om iets te zeggen. Door het raam van haar kamer op de derde verdieping zag ze hoe Damascus Damascus niet meer was. De stad was verveld, maar er groeide geen nieuwe huid. Ze bleef naakt, kwetsbaar, gekwetst. Littekens maakten de ooit zo glanzende huid tot een lelijke verminkte lap vel.

Ze dacht terug aan het muurtje, aan Josh, aan het vervloekte boek met de vervloekte voorspelling. Razend werd ze er niet meer van. Haar gevoelens leken wel geamputeerd. De dood van haar moeder… Nee.

 V 
ader werd gebeld vanop het werk en reed meteen naar het ziekenhuis. Hij bleef sindsdien altijd bij Medina op de kamer. Zijn ogen waren leeg, uitgeput. Medina sterkte langzamerhand aan. Akilah was dankzij haar zus’ bescherming grotendeels gespaard gebleven en haar jonge lichaam herstelde snel. Vader at al dagen niets meer, werd zienderogen magerder en bleker. Af en toe kon Medina hem ompraten toch een glas water te drinken of een stukje brood te eten, maar het voelde aan als verraad tegenover zijn vrouw, het feit dat híj nu koos om te leven en zij die keuze niet had gekregen. Kennissen kwamen hen bezoeken, huilden droge tranen. “De tijd heelt alle wonden.”, “Alles komt goed”, daar waren ze goed in: lavende woorden spuien, gedrenkt in valsheid en leugen. Vader vertelde hen elke dag verhalen over Europa, over het beloofde land. Daar putte hij kracht uit, dromend van een betere toekomst.

Vader vond een nieuw huis voor hen. Toen Medina was aangesterkt, gingen ze er met z’n drie wonen. Het huis telde amper twee kamers, maar het voelde toch leeg en verlaten nu moeder er niet meer was. Alle kasten en nissen vulden zich met haar afwezigheid. Vader was gestopt met werken, durfde zijn dochters niet meer alleen achter te laten, uit vrees voor een herhaling van de gruwel. Ze leefden niet meer, maar overleefden.

Alsmaar meer hoorde je geweerschoten uit alle uithoeken van de stad, een constante herinnering aan hun litteken, maar ook een dreigende waarschuwing voor wat nog komen zou. Vader broedde al lang op het idee om Damascus te ontvluchten. Hij voelde zich hier niet meer veilig, dagdroomde van een gevrijwaarde plaats, waar zijn dochters konden opgroeien en zich konden ontpoppen tot volwassen vrouwen, klaar voor een nieuw leven. Wat van Damascus overbleef beknotte hun ziel, zoog de levenslust uit hun beenderen, porde de adem uit hun longen.

Ze zaten al dagen opgesloten in het huis. De voorraad die ze hadden ingeslagen slonk met de dag. Vader besliste om nieuw eten en water te kopen. Hij omhelsde zijn dochters, droeg Medina op om voor haar kleine zus te zorgen. Hij liep de verlaten straat uit naar de winkel verderop. Hij voelde zich bekeken, begluurd door gloeiende ogen. Na enkele straten te zijn gekruist, hoorde hij voetstappen achter zich. Hij werd vastgegrepen, ruw tegen de grond gedrukt. Twee mannen hielden hem in een greep: “Kom voor ons vechten, neem je verantwoordelijkheid op voor je vaderland. Allah sta je bij. Dood aan de schoft, Bashar-Al-Assad. Twijfel niet, je zal het je beklagen.” Hij zei dat hij zich de volgende dag bij hen zou aanmelden. De mannen namen zijn woorden aan, althans voor vandaag. Hij wist even goed als hen wat er zou gebeuren als hij de volgende dag niet kwam opdagen.

Hij vluchtte terug naar huis. Zijn hart bonsde in zijn keel, waar zich een krop vormde die hem de adem ontnam. Hij voelde zich ijl worden, alsof hij langzaamaan doodbloedde. Hij kon nu geen risico’s meer nemen. Hij kon zijn dochters niet alleen achterlaten. Als hij de vrijheidsstrijders een volgende keer tegen het lijf liep, betekende dat waarschijnlijk zijn dood. Ze waren genadeloos, de mannen die vroeger nog zijn buur, schoenmaker of kapper waren geweest. Nu vormden ze een samenraapsel van opgekropte woede en agressie. Ze streden voor een nobel doel, hun vrijheid en die van het volk, maar verloren die nobelheid door hun onmenselijk daden.

Vader kwam thuis en beval de kinderen zo snel mogelijk in te pakken. Akilah vroeg waar ze heen gingen. Vader mompelde iets onverstaanbaar tussen z’n tanden. Er werden verder geen woorden gewisseld, iedereen zag de ernst van de zaak in. Ze namen enkel het broodnodige mee en al het geld dat ze bij elkaar konden rapen. Diezelfde avond nog vertrokken ze, toen Damascus al in een rusteloze slaap lag.  Vader was vastberaden en straalde vertrouwen uit. Hij had al dagen op zijn plan gebroed. Nu was het moment van de waarheid aangebroken.

Ze doorkruisten Damascus, langs verwoeste gebouwen en verminkte wijken. Medina voelde haar ogen nat worden, het ontroostbare verdriet van haar stad torsend. Was dit het werk van mensen? Het leek wel of een kudde olifanten de stad had platgelopen, niet wetend dat ze iemand kwaad deden. Nee, zij waren nog erger, dieren waren ze niet waardig. Waar was het misgegaan in Allah’s schepping? Waar was het koude water in haar gezicht dat haar uit deze nachtmerrie zou doen ontwaken? Waar was de knop waarmee ze deze afschuwelijke film kon afzetten? Ze wandelden tergend langzaam langs een pad van verlatenheid en verderf. Medina zag tussen het puin van een ingestort gebouw een zwartgeblakerde foto liggen. Er stond een gezinnetje op met twee kinderen, breeduit lachend. Het was een relikwie uit een vervlogen tijdperk, een vuur dat in het luchtledige tevergeefs naar adem hapte.

Na dagen stappen legde het licht de ware aard van hun wanhoopsdaad bloot. De uitputting droop van hun gezichten. In de verte kon Medina een zee ontwaren, of was dat maar een fata morgana, zoals die keren dat moeder aan haar verscheen en ze haar honingzoete stem hoorde fluisteren in haar oren, tot het besef haar de werkelijkheid opdrong? De zee spreidde haar armen nu wijd uit, een wispelturig blauw gevaarte. Ze straalde een zekere rust uit, maar evengoed had ze iets machtigs, klaar om elk moment haar gezag te laten gelden. Vader zei dat ze er bijna waren, dat het vanaf hier alleen maar beter werd. Hij vertelde dat er een boot op hen wachtte naar het beloofde land. Europa was hier niet ver vandaan, ze zouden hen met open armen ontvangen.
Daar zou alles ongetwijfeld beter worden.


geschreven door

Pieter Decat

2 gedachtes over “De Godspraak over Damascus

  1. Een pracht van een aanklacht, hoe bitter die woorden ook kunnen klinken, gelezen vanachter een duur computerscherm.
    Zolang menselijkheid echter in het spel blijft, zolang schrijvers als jij zich kunnen verplaatsen in de horror van een verschroeide aarde, op enkele uren van hier vandaan, blijf ik hopen dat het nog goed komt met de mens. Merci, Pieter, om dit te doen. A f* statement!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.